Een vrouw van middelbare leeftijd komt naar mijn praktijk. Ze vertelt dat ze vaak in een conflict belandt. Ze heeft wel een sociaal netwerk, maar dat zijn vooral mensen die ze op de leesclub ontmoet waarvan ze lid is. Ook heeft ze nog wat contacten in de buurt waar ze woont.
“Heb je vriendinnen waarbij jij jezelf kunt zijn?” vraag ik. Met een verdrietige blik kijkt ze mij aan. “Nee, contact maken op een dieper niveau gaat niet. Het lijkt mis te gaan zodra mensen dichterbij komen. Ze blijken toch niet zo aardig als ze in eerste instantie lijken, misschien ligt het ook wel aan mij hoor”. Ze lacht als een boer met kiespijn.
“Hoe was het vroeger?” vraag ik. Ze vertelt dat ze op de lagere school veel is gepest. De jongens en meisjes hadden het op haar voorzien, na schooltijd stonden ze haar op te wachten… Het heeft jaren geduurd, jaren waarin ze een olifantshuid heeft gekregen, vertelt ze. Een dikke laag om haar heen die haar beschermt tegen het onheil dat van buiten komt. Het is haar manier om te overleven. Niet voelen, niets binnen laten komen. “In mijn latere leven heeft het ervoor gezorgd dat ik een hoge functie kreeg in een bedrijf.
Ik kon klappen opvangen die anderen niet konden verdragen. Maar oh, wat was ik eenzaam en nog steeds…” Ze wil het niet meer, ze wil écht contact leren maken. “Wie ben jij als je jouw olifantshuiden jas uittrekt?” vraag ik. Ze schrikt. “Dan ben ik naakt, kwetsbaar en heel klein.” “Wat kan er gebeuren?” vraag ik.
Ze vertelt dat de angst om geraakt te worden bovenkomt. “Door wie?” vraag ik. “Door de jongens en meisjes van toen” zegt ze, “best gek eigenlijk, het is al 40 jaar geleden…”
“Durf je het aan?” vraag ik. “Ja!” zegt ze. Ik geef haar één opdracht mee, namelijk dat ze bij een eerstvolgende ontmoeting binnenkomt met een glimlach en een open houding. “Meer hoef je niet te doen” zeg ik.
De vrouw komt twee weken later terug en stapt de ruimte binnen met een grote glimlach. Ze heeft haar jas uitgedaan!