Een vrouw van in de veertig komt naar mijn praktijk. Ze vertelt dat ze een prima leven heeft maar er zijn wat dingen waar ze mee aan de slag wil. Ze twijfelt al een tijdje of dit het is. “Dit?” vraag ik.
“Ja, mijn leven, zoals ik het nu leid. Ik voel mij de laatste tijd onrustig en weet niet waar dat gevoel vandaan komt”. De vrouw zorgt voor haar gezin, zorgt voor vrienden en staat altijd voor iedereen klaar. “Wat voor werk doe je?” vraag ik haar. “Ik werk in de zorg en vind mijn werk heel leuk” zegt ze (iets te snel).

Eigenlijk vindt ze ook dat ze niet mag klagen, ze heeft immers alles waar een mens gelukkig van zou kunnen zijn. Het lijkt zo ondankbaar dat ze zich niet gelukkig voelt. “Dat kan toch niet met alles wat ik heb?”
Ze vertelt hoe ze in de zorg is terechtgekomen: “Mijn moeder werkte in de zorg en haar zussen ook. Zij hebben voor mijn oma gezorgd toen zij ziek werd. Oma is jong overleden”. “Is het niet gelukt haar in leven te houden?” vraag ik. De vrouw begrijpt precies wat ik bedoel. Ze kampten inderdaad met een schuldgevoel omdat ze er alles aan hebben gedaan en hun moeder toch is overleden. “Zouden ze daarom in de zorg zijn gegaan?” vraagt de vrouw.

Ik haal mijn schouders op: “het zou kunnen”. En wat was jouw motivatie? Mijn omgeving ging er gewoon vanuit dat ik ook de zorg in zou gaan. Het was vanzelfsprekend dat ik die opleiding ging doen.
Ik besluit een oefening met haar te doen. Wat wil de dromer in jou? Wat als alles mogelijk is en je alles mag zijn…? Voordat ik mijn zin afmaak zegt ze: “Voor de klas!! Daar droomde ik als klein meisje van”. Ze fleurt op maar onmiddellijk komt haar innerlijke criticus de hoek omkijken: “Ik ben toch veel te oud en dan moet ik weer naar school en hoe zal mijn familie reageren en..en…” Het is even stil en ik zeg: “Stel dat het wel lukt?”

Haar ogen stralen. Ze heeft een antwoord op haar vraag.